OPEENS GING HET LICHT UIT…

Onlangs vroeg een journalist aan mij: “Bassie, is er eigenlijk een optreden geweest dat je altijd zal bijblijven?” Nou, met zo’n –pak ‘m beet- 220 optredens per jaar en dat al vijftig jaar lang, maak je wel eens iets mee waarvan je later zegt: ‘…weet je nog wel dat we toen zo gelachen hebben… of gehuild?!’

Ik herinner mij nog goed een voorstelling met de Bassie & Adriaan Lachspektakelshow in de grote schouwburg van Eindhoven. Het moet ergens in 1982 geweest zijn. ’t Was als vanouds weer een ‘volle bak’ en dat betekende in Eindhoven minimaal 900 man in de zaal. De show liep zo soepel als een trein. De hele zaal ging compleet uit z’n dak. Voor een buitenstaander klinkt het misschien een beetje gek wat ik nu zeg, maar meestal zie je vanaf het toneel alleen de eerste rijen met publiek in de zaal zitten. De rest is een zwart gat dat alleen dan tot leven lijkt te komen als je grap goed aankomt. Dat komt door de vele schijnwerpers die op je gericht staan. Maar daar in Eindhoven zag ik plotseling wel heel weinig, want opeens ging al het licht uit. Ook broer Adriaan was van het ene op het andere moment, pats uit beeld! Pas na enkele seconden zag ik door het schijnsel van de noodverlichting in de zaal een zwarte schim bewegen. Onwillekeurig schoor het door me heen: ‘Gelukkig, ik ben niet helemaal blind!’. Nu hoorde ik ook wat tumult uit de zaal komen. ‘Volgens mij hebben meer mensen last van deze plotseling ingetreden duisternis…’

Erg vreemde gewaarwording. Zo sta je in het felle licht van 20.000 watt schijnwerpers en een onderdeel van een seconde later is het compleet donker. Tussen de coulissen zag ik de zaklamp aangaan van een brandwacht die daar de boel in de gaten hield. Aad, die naast mij stond, zag het ook en samen hadden we tegelijkertijd hetzelfde plan: als twee muggen op een warme zomerdag gingen we op het licht af. Inmiddels kwam er een tweede brandwacht aanlopen en ook hij had een joekel van een zaklantaarn bij zich. We overlegden kort met de brandwachten wat we zouden gaan doen. Met z’n vieren begrepen we donders goed dat de zaal waarin 900 mensen zaten, waarvan zeker 700 kinderen, niet lang rustig zou blijven in deze plotselinge totale duisternis. Er zou geheid paniek ontstaan als een van de aanwezigen op het idee kwam om te gaan lopen. Iedereen zou dan volgen, met alle nare gevolgen van dien.

We vroegen aan de brandwachten of we even hun lampen mochten lenen en gelukkig kregen we die spontaan. Daarmee liepen we terug naar het midden van het toneel. Adriaan en ik voelden elkaar goed aan. We lieten het licht van de twee lampen op ons gezicht schijnen en het werd doodstil in de zaal. Ik zei: ‘Jongens en meisjes, dames en meneren, de directeur van de schouwburg heeft vergeten de lichtrekening te betalen. Maar hij is op zijn fiets onderweg om het geld te brengen en dus gaan we zo verder met de voorstelling… Laten we, om het wachten te bekorten, maar lekker gaan zingen. Meteen zetten we a capella in met ‘Twee emmertjes water halen’ en de zaal volgde onmiddellijk. Daarna ging ‘Jan Huigen’ de ton in en natuurlijk lagen wij aan het slot van het lied languit op het toneel, in het stikdonker. Nog steeds geen licht en dus zongen we over de zeven kikkertjes in de boeren sloot. Daarna zette de zaal spontaan in met eigen werk. Maar het bleef hartstikke donker en voor Aad en mij was dat reden genoeg om zogenaamd ‘zwemles’ te gaan geven. We liepen over de voorste rand van het toneel en we speelden dat de kinderen in de zaal allemaal in een zwembad lagen te spartelen. Zij kregen van ons instructie: ‘Armen spreiden, benen sluiten, een, twee, drie…’ Op zeker moment konden we de zaal er zelfs van overtuigen dat Bassie en Adriaan gymnastiek leraren waren en in het donker lieten wij de kinderen allerlei oefeningen doen. Af en toe klonk er in de zaal ‘Auwww!’ als een kind de armen op verzoek van gymmeester Bassie te ver uit elkaar deed en daarbij een nietsvermoedende buurman of buurvrouw in het donker een onbedoelde knal voor zijn of haar kop gaf. En dat allemaal om te voorkomen dat er in de zaal paniek zou uitbreken. Mede door de bijna voelbare spanning hadden we de grootste lol. En ik kan je verzekeren dat ik in het donker al veel vaker plezier beleefd heb, zij het dan op een ander vlak en met maar een persoon.

Maar zo’n plezier als we in Eindhoven beleefden, met een donkere zaal vol publiek en alleen met twee zaklantaarns op ons gezicht gericht, heb ik daarna nooit meer meegemaakt.
Eindelijk, na twintig minuten floepte onder groot gejuich het licht weer aan. Allereerst vroegen en kregen we een groot applaus voor de directeur van de schouwburg omdat hij zo vriendelijk geweest was toch maar gauw op z’n fiets te klimmen om pijlsnel de lichtrekening te gaan betalen. Wat door het kleine grut nog geloofd werd ook.
Nadat het applaus verstomd was gingen we gewoon verder met de voorstelling; alsof er niets gebeurd was! En ook na de pauze liep het programma vlekkeloos. Prima show, leuke stemming. Na afloop werd er op de deur van onze kleedkamer geklopt. We deden de deur open en daar stond de directeur van de schouwburg. Hij zette voor ieder van ons een fles dure whisky op tafel. “Jongens, bedankt,”zei hij. “Dat noem ik vakwerk van jullie om tijdens die stroomstoring zo goed improviseren! Als jullie vanavond thuis zijn, drink dan een glas van mij.” Toen de directeur verdwenen was werd er wederom op de deur geklopt. Ik zei tegen Aad: “Hij komt vast nog twee flessen sodawater brengen…” Maar het waren de brand-wachten die hun zaklantaarns terug kwamen halen. In een jolige bui reden we terug naar ons huis in Vlaardingen. Thuis vroeg mijn vrouw aan me: “Hebben jullie nog veel last gehad van die stroomstoring in Eindhoven?” Ik vroeg: “Hoe weet jij dat nou?” “Oh gewoon, het was net op het nieuws.”

Vastgesteld werd dat tijdens onze voorstelling een monteur aan het werk was in een transformatorhuisje. De man dacht dat er op een bepaalde kabel geen spanning stond. Hij maakte een vreselijke vergissing. Er stond wel spanning op. De monteur was op slag dood.
De volgende dag stond dit nieuws ook in diverse kranten en er werd bij vermeld dat de man een vrouw en twee kinderen achterliet. Toen schoot het door me heen: “Verdorie, toen bij ons op het toneel het licht uit floepte, ging ook bij hem het licht uit. Met dit verschil dat het voor hem altijd donker bleef.

Die fles whisky heeft nog een groot aantal jaren op de bar in mijn huis gestaan. Ik vond dat ik het niet kon maken die fles open te maken en te drinken op een man die door een noodlottig ongeval tijdens onze show om het leven gekomen was. Uiteindelijk heb ik de fles maar cadeau gedaan aan mijn schoonzoon. Ik weet eigenlijk wel zeker dat die whisky mij niet gesmaakt zou hebben.

© Bas van Toor