DE BOKSTENT '59, '60, '61

Parade maken op de kermis was altijd leuk, je stond daar in een strakke zwarte broek, witte blouse met pofmouwen en op commando van de eigenaar van het kermistheater Oriëntaal Ome Nico Griensven, deden wij even 'kop op kop', en dan maakte je wel effe de blits bij de plaatselijke schonen die alleen maar een handstand hadden gezien op een plaatje van de gymclub. Televisie had je nog niet, maar je trok een hoop publiek maar je moest ook niet te lang de 'stand' vasthouden want dan gingen de andere reizigers (exploitanten heten ze tegenwoordig) klagen.

Op een keer staan we in Mill naast de bokstent van de legendarische Ome Tinus Westenberg, die maakte ook parade met judoka's, boksers en worstelaars. Nou gaf die bokstent altijd de laatste voorstelling omdat wij met het variété meer op familiepubliek gericht waren.Ome Tinus gaf de laatste voorstelling altijd weg aan de jongens en ging met Ome Nico 'een paar vaasjes Schiedamse godendrank nuttigen'. Zo sprak die man nou eenmaal.

Daar kwam Bertus Donks aan, die nu in 1996 president is van alle Nederlandse kermisexploitanten en ook op Europees niveau aardig meetelt. 'Jongens, er moet wat gebeuren', zei hij met zijn toen al zware schiedamse stem. Bertus vocht vrij Pancras worstelen, wat dat was wist hij zelf ook niet, maar wij dachten dat hij in St. Pancras eens een plaatselijke sterke jongen de kop van zijn romp had geschroefd en ter ere van dit feit zijn sport Pancras genoemd heeft.

Als de bokstent vertrok was het bezoek aan de plaatselijke arts altijd zeer groot van mensen die hadden gedacht het van hem te kunnen winnen, dus er moest wat gebeuren en wij wisten gelijk wat. Want dat kunstje hadden wij al eerder vertoond, dus wij gauw in ons burgerpakkie tussen het publiek in en staan te schelden dat alles nep en zwendel was en dat ze ons eens een keer moesten pakken.

Nou stond er op de tent een man van 65 jaar die zich Cesar noemde maar zo sterk was dat hij een spijker van 20 cm tussen zijn tanden zette en die lachend krom boog. En die "ouwe" daagde ik uit en Adriaan moest met Bertus aan de rol. Dus toen wij de tent opstapten ging heel de plaatselijke bevolking achter ons aan, Bertus Donks gilde nog net in de microfoon dat wegens 'het gevecht van de eeuw' de toegangsprijs nu geen f 1,--. maar f 2,50. was. Dat maakte niks uit, al hadden we een tientje gevraagd had het nog vol gezeten. Adriaan en Bertus Pancrasten dat het een lieve lust was waarbij de verende vloer van de ring prima werk verrichtte en werd het publiek nog harder balazerd als nu bij American Wrestling op de tv.

De strijd eindigde onbeslist en Adriaan en Bertus gingen gauw de kas opmaken want we moesten met 10 man delen. Er werd nog effe door een bokser een plaatselijk ettertje temmes geslagen en ook de zwartste band Judo van Mill werd een week de ziekenwet in gestuurd. Maar het publiek genoot. Toen de finale Bassie Crockson tegen 'Cesar de verschrikkelijke'. Ik fluisterde nog zachtjes; "Ome Cees, niet te gek, hè, ik moet morgen nog op mijn kop staan". Maar Ome Cesar grinnikte en zei; 'We zullen wel zien, Jochie'. Onnodig te zeggen dat deze AOW-vechtmachine mij alle hoeken van de ring liet zien en als beloning mijn zijn eeuwige BZK-pruim onder mijn oksel duwde, mij daarna vriendschappelijk bijna doodknuffelde terwijl ik het warme pruimensap over mijn lende voelde lopen.

We hebben dat geintje op de bokstent nog menig keer uitgehaald, maar Ome Cesar moest voor het gevecht voortaan wel éérst zijn pruim uit zijn mond halen.

© Bas van Toor