GODSDIENSTLERAAR: VAKMANSCHAP IS MEESTERSCHAP...?
Als je, zoals ik, veel onderweg bent en je vrouw ook keihard meewerkt, zul je moeten accepteren dat je je kinderen (te) weinig ziet. Dat overkwam mij ook toen we, jaren geleden, in Amerika waren voor de opnames van de ‘Reis Vol Verrassingen’. Maakt u zich trouwens geen zorgen: voor de dochters werd prima gezorgd. De jongste, toen twaalf, woonde tijdelijk bij haar 17 jaar oudere zus, terwijl mijn dochter van 13 jaar onder de vleugels van mijn moeder zat. Het mes sneed aan twee kanten: dochterlief was fijn onderdak en oma genoot van de gezelligheid van een kleindochter over de vloer.
Toen ik na drie maanden thuiskwam merkte ik aan m’n jongste dochter van 12 jaar dat haar iets dwars zat. Ze gedroeg zich erg nerveus. Ik vroeg haar wat er aan scheelde en zij vertelde me dat, nadat ik naar Amerika vertrokken was, ze haar Bijbeltje nergens meer kon vinden. Dat was overigens mijn schuld, want ik was zo bijdehand geweest om dat Bijbeltje in een kast op te bergen en deze vervolgens op slot te doen. Op de Mavo die dochterlief bezocht, waren natuurlijk genoeg van die Bijbels in voorraad, maar de godsdienstleraar meende het ‘gedrag’ van mijn dochter toch te moeten belonen met een straf. De straf bleek bijzonder origineel te zijn. Zij moest namelijk van hem een opstel maken. Toen mijn 12-jarige dochter hem vroeg waar dat opstel dan wel over moest gaan, antwoordde deze ruim volwassen prediker op sarcastische wijze: “Ach, kind voor mijn part schrijf je opstel over een fietsventiel!” Dit wakkerde de paniek in mijn dochter alleen maar aan. Wanhopig ging zij naar de bibliotheek, in de hoop daar een boekje aan te treffen dat handelde over een fietsventiel. Onnodig te zeggen dat zo’n werkje nog geschreven moet worden en haar paniek werd alleen maar groter. M’n dochter kon er niet van slapen en kreeg huilbuien. Ondertussen dreigde de prediker –uiterst pedagogisch…- met hel en verdoemenis.
Toen mijn dochter mij haar verhaal vertelde, voelde ik mijn boosheid toenemen. Pisnijdig was ik en ging achter mijn schrijfmachine zitten. Ik doopte mijn wijsvinger in een potje met vloeistof wat ik gekregen had van een opperhoofd van een Indianenstam in Brazilië. Dat spul was knap giftig en toen het eenmaal goed ging werken, ramde ik er een brief uit voor deze verknipte nazaat van de profeet Paulus. Ik wil u dit stukje proza niet onthouden. U leest hier de tekst van een brief die ik de volgende ochtend aan mijn dochter meegaf. Ter attentie van haar godsdienstleraar, die liefde en verdraagzaamheid hoog in het vaandel had.
Vlaardingen, 22 april 1993
Geachte Heer van O.,
Aangezien mijn dochter geheel op tilt sloeg nadat ze van u de opdracht kreeg om een opstel te schrijven over het ‘fietsventiel’ (eerlijk gezegd vind ik dat dit ook voor haar verloren energie en tijd is) dacht ik: komaan, laat mij het eens proberen! Wie weet, leert de heer Van O. er ook nog iets van. Per slot van rekening is het laten lachen en huilen van mensen al 37 jaar mijn vak.
Heel lang geleden, zelfs nog langer dan toen ik nog in korte broek rondliep, leefde er in Palestina –ook wel Israël genoemd- een man genaamd Jezus van Nazareth. Deze Jezus reisde door het land van Juda en predikte liefde en verdraagzaamheid dat het een lieve lust was. Vaak zeiden de mensen: “Ooh Jezus, daar heb je Jezus, die O.H., weer!”. Maar ook waren er die geduldig naar hem luisterden en veel van hem opstaken. Zo ook een groep herders, die in de bergen woonde en regelmatig in het gezelschap van Jezus waren. Op een mooie dag, zoals je nu, in 1993, nog maar zelden aantreft in het door oorlog en haat verscheurde Israël, zag de Heer een kleine jongen tegen een olijfboom zitten. De Heer kende de jongen nog van al zijn vorige bezoeken aan de herders, en de Heer sprak de jongen dan ook aan met ‘Hallo Appie, alles goed?’ De jongen heette eigenlijk Abraham, maar omdat hij nogal klein was voor zijn leeftijd, noemde iedereen hem ‘Appie’. Appie keek omhoog en zag dat er prachtige gouden zonnestralen door de haren van de Heer schenen en zei: ‘Ja Heer, alles kits’ en hij kneedde rustig voort in de bruine, op stopverf lijkende, substantie. ‘Wat doe je daar, Appie?’ vroeg de Heer vriendelijk. ‘Oh Heer, ik kneed van deze schapenkeutels,’ –want dat was de bruine prut- ‘een super-de-luxe fietsventiel voor mijn mountainbike, zodat ik straks met goed opgepompte banden de heilige Mountain af kan sjezen, zo het Hof van Ghetsemane in. En natuurlijk er weer uit.’ ‘Jongen,’ sprak de Heer een tikje bars, maar toch ook met een vrolijke grijns op zijn toen al aardig heilig uitziende toet, ‘ik heb een beter idee: maak van die schapenkeutels toch een mooie godsdienstleraar, dan kan hij straks, over een heleboel jaren misschien, wel les gaan geven aan de St. Jozef Mavo in Vlaardingen.’ ‘Oh Heer,’ zei Appie, en er biggelden een paar grote tranen over zijn wangen, ‘dat zou ik heel graag willen, maar daar heb ik niet genoeg schapenkeutels voor.’ De Heer schoot in een onbedaarlijke lachbui en vervolgde vrolijk zijn weg.
Kijk, de Heer had natuurlijk de jongen vermanend kunnen toespreken of zelfs had hij het kind kunnen vernederen door hem een opstel over zoiets onzinnigs als een fietsventiel te laten maken. Maar dat deed de Heer niet, want hij was een echte godsdienstleraar en de Heer sprak liefde en verdraagzaamheid.
Dat een kind door een Godsdienstleraar vernederd zou worden zou pas vele jaren later geschieden.
Bas van Toor,
Niet boos, maar wel verdrietig.
Het spreekt vanzelf dat onze Eerwaarde Schijnheiligheid de volgende ochtend, om kwart over negen al, huilend bij mij aan de telefoon hing en mij snikkend vertelde dat hij erg aangeslagen was. En hij voegde er aan toe dat mijn brief hem zo aangegrepen had. Toen hij mij dat vertelde zei ik, dat ik er een warm gevoel van kreeg en dat er grote blijdschap in mijn hart was dat de boodschap zo goed aangekomen was. Ik eindigde met: Vrede zij met u en ik legde de hoorn op de haak. Dat doe ik meestal bij mensen die mij weinig te vertellen hebben.
Eerlijkheidshalve moet ik wel zeggen dat de directeur van de school, waar onze namaak-Paulus met de brief naar toe was gegaan, mij daarna hikkend van het lachen opbelde en zei dat ik gelijk had en dat figuur mooi op zijn nummer gezet had.
© Bas van Toor