IN DE SHOW MET EDITH PIAF
Een van de grootste chansonnieres die in de vorige eeuw leefde is zonder twijfel Edith Piaf. In werkelijkheid heette zij Edith Giovanna Cassion. Deze vedette van grote klasse, maar met een lengte van slechts een meter vijftig, trad op in alle grote theaters van Parijs, en van de wereld. Zij begon haar carriere op straat en ze had algauw de toepasselijke bijnaam ‘De Kleine Mus’. Op 20-jarige leeftijd werd Edith op de haar zo vertrouwde straat ontdekt door de directeur van het Cirque Medrano, die haar –met groot succes- liet optreden in zijn theater. Daarna oogstte de kleine zangeres grote triomfen in alle grote theaters van Parijs, waaronder de Olympia. Haar wereldfaam heeft haar niet alleen roem en geld opgeleverd, maar ook erg veel leed. Zij had net als andere vrouwen die er leuk uitzien veel aanbidders. En, zoals dat gewoonlijk gaat, waren er onder hen veel profiteurs die het alleen maar op haar geld en roem gemunt hadden.
Ze trouwde twee keer. Daarnaast was zij goed bevriend met Maurice Chevalier en was zij ook de ontdekker van de later wereldberoemde zanger Charles Aznavour. Maar haar grote liefde was de beroemde franse bokser Marcel Cerdan (Raging Bull). Helaas kwam aan haar romance met hem een vroegtijdig einde toen Cerdan als passagier verongelukte in een vliegtuig boven de Azoren.
Aan het slot van haar roemruchte carriere waagde ze het om een afscheidstoernee in het buitenland. Ook voor de impresario’s betekende dat een groot risico omdat Piaf gebukt ging onder ee n slechte gezondheid. In 1962 kwam deze kleine maar toch zo grote Franse vedette voor een laatste toernee naar Nederland, waar zij geëngageerd was door het Nederlands Theater Bureau van de heren Flink en Van Liempt.
Wout van Liempt kom ik nog wel ‘ns tegen op recepties of premières en ondanks zijn gevorderde leeftijd –hij is bijna 80- heeft hij nog altijd ‘de regie’, zoals wij dat noemen. Nog regelmatig boekt hij grote buitenlandse artiesten voor een toernee door Nederland. Hij is het prototype van een echte impressario. Keihard in de onderhandeling maar als dat eenmaal afgesloten is, dan komt hij elke afspraak na. Gelooft u mij, dat is een karaktertrek die tegenwoordig bij heel wat ‘schuifdeur en aktetas impresario s’ vaak ontbreekt. Maar ik voeg er onmiddellijk aan toe: gelukkig tref je onder de nieuwkomers ook enkele betrouwbare figuren.
Wout van Liempt was vele jaren de impresario van de grote cabaretier Wim Kan en hij voorzag deze kei-in-het-vak ook regelmatig van grappen, grollen en politiek getinte ‘bon mots’. Als je voor Wout werkte, was je ‘gearriveerd’ in het vak en behoorde je tot het neusje van de zalm in Nederland. Blij verrast was ik dan ook toen hij mij belde met de mededeling: “Meneer van Toor, bent u met uw broer op die en die dagen nog vrij?”
Alhoewel een artiest het liefst zegt: “Sorry, ik ben bezet,” waren wij tot mijn grote vreugde een aantal dagen vrij. En alsof de duvel er mee speelde, precies op die dagen dat hij ons een plaats aanbood in het voorprogramma met Frans Vrolijk, Bueno de Mesquita. Wij vormden met ons acrobatennummer van ‘The Crocksons’ een niet onbelangrijke schakel in de theatertour van ‘La Piaf’. Over de gage waren Meneer van Liempt en Meneer van Toor –zoals toen nog uiterst beleefd werd gezegd- het gauw eens. Dus op de eerste dag gingen wij met kloppend hart de artiesteningang binnen van de Nijmeegse Schouwburg. Zoals altijd pakten we zorgvuldig onze kostuums uit en daarna snelden we naar het toneel om te repeteren met de pianist. Oei! Dat viel tegen! Omdat La Piaf haar eigen orkest had meegenomen was Meneer Wout helemaal vergeten een pianist voor zowel Frans Vrolijk als The Crocksons te engageren. Tja, waar haal je dan zo gauw, vlak voor de voorstelling, een pianeur vandaan in Nijmegen? Bueno de Mesquita was bandparodist, dus hij kon volstaan zonder live muziek. Maar… hij bracht wel uitkomst. Want toen Bueno onze bedroefde smoelwerken zag, en Frans Vrolijk helemaal niet zo Vrolijk keek, zei Bueno: “Jongens, ik begeleid jullie wel!”
We keken elkaar even ongelovig aan en hij vroeg alleen: “Waar is hier een piano?”
Nou, die rolden wij in hoog tempo van achter de gordijnen het toneel op. Frans Vrolijk ging als eerste repeteren en hij zei na afloop: “Dat wordt duidelijk zoiets van ‘God zegene de Greep’, maar goed, vanavond zal het ook wel weer kwart over elf worden hoor.”
Na Frans was het onze beurt om, begeleid door Bueno, te repeteren. Voor ons komisch acrobatennummer hadden we altijd ’t liefst een lekker swingtempo muziekje, terwijl we voor ons serieuze nummer de voorkeur gaven aan een langzaam bluestempo. Gelukkig swingde de muziek, die Bueno uit de piano toverde, de pan uit.
Toch viel mij iets op aan zijn spel. Hij drukte namelijk alleen de zwarte toetsen van de piano in. Na afloop vertelde Bueno ons dat hij vele jaren achter elkaar in zo goed als alle nachtclubs van Amsterdam had gewerkt als ‘muzikaal fantasist’, oftewel ‘alleskunner’. Nacht in, nacht uit haalde hij de gekste fratsen uit om zijn publiek te vermaken en vooral zo lang mogelijk in de club te houden… In die periode had hij zichzelf het pianospelen zo’n beetje aangeleerd. Bueno vond dat hij helemaal geen witte toetsen nodig had. En dat was goed nieuws voor de Afrikaanse olifant, want van de slagtanden van dat dier werden destijds witte pianotoetsen gemaakt.
Frans Vrolijk, Bueno de Mesquita en wij hadden ook die avond succes met ons optreden.
En La Piaf? Nou, zij moest toen wel zeven toegiften zingen. Aan het slot kreeg zij een wel tien minuten durende staande ovatie.
Of ik haar na afloop nog gesproken heb? Om eerlijk te zijn: nee. Elke avond huppelde zij rechtstreeks het toneel af en fladderde ze in een flodderjurkje een taxi in met haar twintig jaar jongere loverboy/echtgenoot, op naar het hotel om daar met Champagne en kaviaar de nacht te verjagen.
Een bevriend hoteldirecteur verklapte mij dat hij zelden zulke rustige gasten binnen zijn hotelmuren te logeren had gehad. Volgens hem was de enige zonde van Piaf en haar man dat zij het ontbijt om twaalf uur ’s middags op de kamer nuttigden. Een ‘ontbijt’ dat bestond uit slechts enkele toastjes en een kopje slappe thee. Dat ging zo overal ter wereld waar Piaf optrad.
Edith Piaf. Zij was er wel, maar ze was er ook niet. Stilletjes kwam ze het theater binnen en liep dan direct naar haar kleedkamer, samen met haar echtgenoot Theo Sarapo (de gitarist Theophanis Lamboukas). Vlak voor haar optreden tripte ze als een kwetsbaar musje de kleedkamer uit en dan stond ze even tussen de coulissen heel verliefd omhoog te kijken naar haar zeker veertig centimeter grotere en twintig jaar jongere ‘toyboy’, om daarna met haar geweldige stem het publiek aan haar voeten te krijgen. Dat schouwspel herhaalde zich in elk theater, in elke stad.
Wij vroegen ons weleens af: zou die vrouw nu echt gelukkig zijn, of is ze door de liefde zo verblind geraakt dat ze niet in de gaten had dat ze door die slungelige gitarist in de maling genomen werd vanwege haar poen en roem? Iets dat hem, trouwens, achteraf nog niet eens gelukt is!
Frans Vrolijk vroeg ‘ns aan me: “Bas, heb jij Piaf wel eens zien lachen?”
“Ikke niet,” antwoordde ik naar waarheid.
Frans Vrolijk, een geweldig artiest en moppentapper, met wie ik een ontelbaar aantal voorstellingen deelde, is niet meer onder ons. Ook Bueno de Mesquita is ons ontvallen. En Piaf is eveneens geschiedenis. Zij overleed op 11 oktober 1963, op dezelfde dag als haar vriend, het grote Franse genie Jean Cockteau. Zij ligt begraven op de wereldvermaarde Parijse begraafplaats ‘Pere Lachaise’. Ik herinner mij La Piaf als een weergaloze zangeres die de hele zaal kippenvel bezorgde als zij zong; “Non, je ne regrette rien…” (ik heb nergens spijt van).
Zelfs nu nog steekt die kleine artieste met kop en schoudertjes boven al die andere grote namen van het Franse chanson uit, zoals Patachou, Trenet, Greco, Brassens, Barbara en Ferre. Het woord ‘chanson’ betekent een beetje oneerbiedig ‘smartlap’. Maar u zult het vast met mij eens zijn als ik zeg dat het chanson dieper, zo u wilt hoger, gaat dan ‘Tsjalala, alle Duiven op de Dam…’
Oh ja, die Theo Sarapo, hoe is het met hem afgelopen? Wel, zoals gebruikelijk het geval is met dit soort lieden: niemand heeft ooit nog iets van hem vernomen.
Wout van Liempt is er nog wel. En doe! Als vanouds haalt hij grote sterren naar Nederlandse theaters. Nog vrij regelmatig kom ik hem tegen op party’s en dan is hij altijd in het charmante gezelschap van een of meer goeduitziende jonge vrouwen. Want ondanks zijn gevorderde leeftijd wil menige vrouw nog graag met de kaarsrecht lopende, en altijd keurig in het pak zittende, grijze Toyboy op stap voor een etentje of bezoek aan het theater.
© Bas van Toor