JOS
Het jaar 1964 herinner ik me nog goed. Als de acrobatengroep ‘The Crocksons’ waren we op toernee. We reisden kriskras door Nederland. En dat speciaal ter gelegenheid van het feit dat de Nederlandse Spoorwegen 125 jaar bestond. In plaatsen als Maastricht, Arnhem en Groningen traden we vijf, soms wel zeven, dagen op in diverse schouwburgen. Avond aan avond kwamen werknemers van de NS naar de show met die mooie naam: ‘Voor klaar? Achter klaar? Karren maar!’ Naast ons traden onder anderen op: Roland Wagter Sr. En Jr., het zangtrio The Spotlights, Willeke Alberti en de grootste Nederlandse goochelaar aller tijden Fred Kaps hetgeen een pseudoniem was voor Bram Bongers.
Door heel Nederland werden 125 voorstellingen verzorgd en elke keer kregen wij aan het slot van de voorstelling ter herinnering een zilveren theelepeltje mee. Aan theelepeltjes in huize Van Toor dus geen gebrek; ik kom die dingen nog steeds tegen in de keukenla van mijn vrouw. Aangezien wij ook toen al veel in het buitenland werkten, woonden Aad, ik en onze vrouwen en kinderen in een caravan. Het leek ons wel handig om dat ook tijdens die speciale NS-toernee te doen. Op een keer stonden we op een grote camping, in de buurt van Arnhem. Tot onze niet geringe verbazing schoof er op een middag doodleuk een lijkauto de camping op. The Last Trip Car was op het dak gesierd met mooie, zwaar verchroomde kruisen.
Onze monden vielen helemaal van verbazing open toen er onder luid gejuich en gejoel een stuk of zes jonge mensen uit de wagen rolden. Ze keken ‘ns goed om zich heen en kozen tenslotte een open plek op het grasveld uit. Een jongeman, met een uitgesproken vrolijk en ook charmant gezicht, zei: “Dames en heren, komt u allemaal ‘ns lekker in een kring om ons heen staan. Dan gaan wij proberen u te vermaken!”
De groep liet er geen gras over groeien. Hun voorstelling in de open lucht ging van start met een korte maar krachtige demonstratie van volksdansen. Toen er naar hun smaak voldoende publiek samengestroomd was, gingen zij liedjes zingen, gelardeerd met sketches en conferences. Het werd een gezellige middag en eerlijk gezegd waren we wel een beetje verbaasd over de inzet en het enthousiasme waarmee de jonge mensen hun kunstjes vertoonden. Ehh ‘kunstjes’? Ja, u leest het goed. Elke artiest vertoont gewoon een ‘kunstje’. Goed beschouwd zijn wij, artiesten, allemaal amateurs. Net als wijlen Elvis Presley uit de USA en precies ook als de springlevende Gerrit en de Oetjepatters uit Schin op Geul.
Alleen de heel goede amateurs (ook wel ‘liefhebbers’ genoemd) zijn in staat om van hun ‘kunstjes’ te leven. Zelfs zijn er amateurs die dermate goed zijn, dat ze in een dikke Mercedes kunnen rondrijden. Maar het zijn en blijven amateurs.
Afijn, het werd dus onverwacht een gezellige middag, daar bij Arnhem. Ik weet het nog goed: toen de groep jolige amateurs om middernacht in hun zwarte koets het campingterrein verlieten, waren we allemaal moe van het lachen. De leider van de groep had mij verteld dat ze die oude zwarte Lincoln met verchroomde kruisen op het dak voor een prikkie hadden gekocht van een autohandelaar. Hij kon die wagen niet aan de straatstenen kwijt. Want je maakt nou niet bepaald de blitz bij je meissie als je met zo’n Crematorium Shuttle voor komt rijden en vraagt of zij en haar ouders zin hebben in een gezellig ritje naar de Efteling. Toch? Maar als beginnend artiest, op weg naar de eeuwige roem, kan het je minder dan een barst schelen.
Dat spontane optreden en het bijbehorende feestje bij Arnhem schoot mij een paar jaar later te binnen toen een TV-omroepster aankondigde: “Dames en heren, ik vraag nu uw aandacht voor Jos Brink…”
Toen dat sympathieke gezicht van een jongeman op de buis verscheen, schoot mij direct te binnen: “Verdraaid, die gozer ken ik. Dat is toch de leider van het groepje dat zich in die mooie en sjieke maar hopeloos verouderde Kraaienkoets verplaatste?
Het is te lang geleden om mij nog voor de geest te halen wat Jos Brink bij die gelegenheid op de televisie deed. Maar dat het leuk was weet ik nog wel. In de maanden en jaren die daarop volgden kwam Jos steeds regelmatiger op de televisie. Toch was hij zo verstandig om het toneel in ere te houden, waarmee hij voeling met zijn –steeds groeiende- publiek hield.
Dat is trouwens een advies dat ik ook zo graag aan de TV meneren en mevrouwen van tegenwoordig zou willen geven: ga eens vaker op de planken staan, want in een zaal of bij een voorstelling in de openlucht weet je zonder omwegen hoe het publiek op je reageert. Maar goed, ik dwaal af.
Bij voorstellingen in het land kwamen we elkaar steeds vaker tegen. Wij groeiden en hij groeide heel groot en hij werd op den duur een begrip, een instituut, een alleskunner en – kenner. Bovendien had hij het lef om zijn nek uit te steken met grote producties, musicals, toneelstukken en cabaret. Als televisie presentator vestigde hij een naam zonder weerga. Wie van de wat oudere generatie kan zich niet meer de zoen herinneren die hij aan wijlen Koningin Juliana uitdeelde? Het was niet zomaar een kus, maar een pakkerd die recht uit zijn ziel kwam.
Ooit was ik eens bij hem te gast ter gelegenheid van de presentatie van mijn eerste mondharmonica CD. We waren zo lang en innig met elkaar in gesprek geraakt dat de regisseur opeens naast ons stond en zei: “Eh, zeg jongens, ik wil me niet met jullie conversatie bemoeien hoor, maar we zijn inmiddels al vijf minuten uit de lucht…” Huilend van het lachen liepen we samen naar de kantine. “Verdorie Bas,” sprak Jos me bestraffend toe, “jij kletst zoveel en zolang dat ik zelfs geen afscheid heb kunnen nemen van de kijkers. Dit geintje hou je van me tegoed!”
Zo af en toe kwamen we elkaar tegen op die onvermijdelijke premières en feestjes waar iedereen zo aardig tegen elkaar doet. En ook tijdens optredens kruisten we elkaars pad.
Op een keer stonden we met onze Bassie & Adriaan Lachspektakelshow twee dagen achter elkaar in het Circus Theater in Scheveningen. Elke dag verzorgden we twee shows.
Dus reken maar uit: we trokken een publiek van vier keer 1800 moeders en vaders. In diezelfde zaal trad Jos op met een musical, als ik mij goed herinner was het met ‘Amerika, Amerika’. Ook hij zorgde ervoor dat de zaal twee keer geheel uitverkocht was. In die twee dagen mocht het Circus Theater dus bijna 11.000 bezoekers verwelkomen. Voor het gemeentebestuur van Den Haag was dat een extra reden om dat mooie theater niet te slopen maar te renoveren.
Mijn dochters waren toen 7 en 8 jaar jong. Na ons optreden stelde ik hen voor aan Jos, die zich in zijn kleedkamer zat de schminken voor zijn optreden. Die grieten vonden het maar wat geweldig dat ik ze voorstelde aan de Grote Jos Brink.
“Hoi meiden!,” zei Jos toen ze binnenkwamen. “Hoe heten jullie?” “Ik heet Ilona en dat is mijn zusje Cindy, meneer Brink,” zei dochter Ilona. “Verdorie, dat vind ik nou eens leuk dat jullie ‘meneer Brink’ tegen mij zeggen en niet meteen beginnen te ‘Jossen’! Bij dezen geef ik jullie allebei toestemming om mij voortaan ‘Jos’ te noemen.” Waarop Cindy reageerde: “Oh, wat leuk meneer Brink!” “He Cindy, voor jou heet ik Jos hoor!” zei Jos Brink lachend.
Vorige week belde ik dochters Ilona en Cindy op. “Weet je wat ik net op de TV zag…?”
“Ja Pa,” viel Cindy (nu 28 jaar) in de rede. “Jos is overleden. Wat lullig he. Hij is maar 65 geworden.”
Toen ik deze week die zwarte wagen stapvoets van Carré naar de begraafplaats zag rijden, dacht ik: “…zul je net zien, straks komt hij bij de hemelpoort aan en stapt hij lachend en wel uit die zwarte koets, met om hem heen een stelletje hippe engelen.
En dan zegt hij: “Dames en heren, kom eens allemaal om ons heen staan, dan gaan wij proberen u te vermaken…”
© Bas van Toor