RARE QUIBUS
Ik ben inmiddels meer dan 48 jaar getrouwd en in de eerste zesendertig jaar daarvan hebben wij met ons gezin drie herdershonden ‘versleten’, zoals ik dat wel eens oneerbiedig zeg. Alle drie zijn ze 12 jaar geworden. Bij de dood door ouderdom van de derde hond waren mijn vrouw ik en de kinderen er zo kapot van dat ik zei: “Hier heb ik nou genoeg van. Elke twaalf jaar zo’n groot verdriet te moeten mee maken met de hele familie, dat is mij te veel hoor we stoppen met honden.”
We hielden het precies 6 maanden vol. Want toen struikelden we over een 10 centimeter lange en twee weken oude ruwharige Jack Russel Parsel van topfokker Jan Thoonse. Negen weken lang gingen we twee keer per week naar De Hollandse Rading waar ‘Quibus’ geboren was. Volgens de stamboom moest haar naam met een Q beginnen. Nou ga er maar aan staan. Totdat we in een woorden boek de naam Quibus ontdekten en dat Quibus in het Latijn ‘gekke hond’ betekent. Dus toen stond het gelijk vast dat haar naam Quibus werd. Negen weken lang gingen we twee keer in de week naar de fokker waar we met haar gingen knuffelen en zij van schoot tot schoot ging zodat, toen ze tien weken was en wij haar mee naar huis mochten nemen naar ons huis, zij zich direct bij ons thuis voelde.
Toen we de eerste avond naar bed gingen, liep zij ons gelijk achterna. En aangezien er bij ons nog nooit een hond in de slaapkamer was geweest maakten wij ook voor haar ook geen uitzondering. Ik zei dan ook bij de slaapkamerdeur: “Quibus, kruip jij maar lekker in je nieuwe mandje. Morgen vroeg laat de baas of het vrouwtje je uit en in geval van nood heeft de baas overal kranten neergelegd in huis. Welterusten!” En ik sloot de deur. Maar daar was de jonge hondendame het niet mee eens en dat liet zij ons door te piepen en op hoge toon te keffen duidelijk merken ook.
Na tien minuten zei mijn vrouw: “Joh, Bas, laten we haar mandje de eerste avond maar naast ons bed zetten.” Waarop ik zei: “Co, ben je nou helemaal gek geworden! Een hond in de slaapkamer… Never nooit!” Maar mijn lot is dat ik met een niet-geëmancipeerde vrouw getrouwd ben. Maar wel eentje die een sterke eigen mening heeft. Dus, na tien minuten, sjokte ik naar boven en kwam met het mandje van Quibus terug. En pakte ik anderhalf pond hond op en zette haar in haar mand, voor het bed aan de kant van mijn vrouw. Streng keek ik haar aan en sprak zogenaamd bars: “Zo madam, nu doe jij net als het Baasje en Mamma; jij ga lekker slapen.”
Ze verstond blijkbaar wat anders, want haar kleine (zonder mijn medeweten en toestemming !) gecoupeerde staartje ging vrolijk heen en weer en zij keek mij verwachtingsvol aan. Ik deed het licht uit, gaf mijn vrouw een zoen en ging slapen. Althans, ik deed er een poging toe. Want ons nieuw familielid begon luid te piepen in het donker. Na tien minuten haar hondenverdriet aangehoord te hebben, deed ik het licht weer aan pakte haar met mand en al op en wilde de slaapkamer verlaten, om haar alsnog tien meter buiten mijn gehoor te plaatsen.
Och ‘na verloop van twee dagen went ze wel,’ overpeinsde ik.
Bij de drempel aangekomen zei mijn vrouw: “Bas, geef haar eens hier.”
“Hallo!” riep ik lichtelijk onthutst, “jij bent gek om een hond in bed te nemen!”
Maar toen ik, net als 38 jaar geleden, in mijn vrouw haar groen-blauwe ogen keek, zwichtte ik voor het ‘Hoher Gewalt’ zoals dat soms zo mooi gezegd wordt. Het ontbrak er nog maar aan dat het ruwharige bolletje wol in haar armen ‘lekker puhhh!!!!’ tegen me zei, terwijl ze vertroeteld werd door mijn gade, die naast mij in bed zat.
Ik had die dag twee optredens achter de rug en daarna ook nog een hond in De Hollandse Rading opgehaald, dus voor ik er erg in had sliep ik als een clown die hondsmoe is. En naast mij zat een hond die zo gek als een clown deed en helemaal mijn vrouw inpalmde met haar honden baby charme.
De volgende morgen, rond zeven uur, werd ik wakker doordat ik een heel klein tongetje over mijn wenkbrauwen voelde likken. Als je ruim 35 jaar getrouwd bent weet je blindelings dat niet je vrouw maar een hond de verleidster is. Ik werd heel geraffineerd wakker gelebberd door onze nieuwe aanwinst van de familie: Hare koninklijke hondsheid Quibus.
Zogenaamd verbaasd vroeg ik aan mijn vrouw: “Hoe komt die hond nou weer hier in bed?
Kan ze al zo hoog springen?” “Nee,” zei die lachend, “ze heeft de hele nacht aan het voeteind tussen ons in geslapen.” “Dat meen je niet!” reageerde ik. Lachend zei ze: “Dat meen ik wel!”
Om een lang verhaal kort te maken: vanaf de eerste dag aan heeft die kleine mafkees tussen ons, aan het voeteneind, in geslapen. Tegen de ochtend kroop ze dan altijd omhoog en kwam ze mij trouw elke ochtend om zeven uur wakker lebberen. En als even later de krant van wakker Nederland op de deurmat plofte, gaf zij een gil en was je meteen klaar wakker. Maar ze had het niet zo op de bezorger en dat liet ze blijken door elke dag met haar vlijmscherpe tanden van de krant een legpuzzel maken.
Ze groeide voorspoedig op en werd de spil van ons gezin en al onze vrienden. Mijn vrouw was onafscheidelijk van Quibus en in elke zaal waar wij optraden was ze er bij. Ze kende ook veel kunstjes die ze met mijn vrouws hulp eigen gemaakt had. Zo kon ze met twee pootjes overeind gaan zitten en op commando ging ze ‘dood liggen’. Als ze er zin in had, rolde ze over de kop en over haar zij. En als ik thuis kwam ging ze eerst tien rondjes door ons grote huis rennen, terwijl ik en mijn dochters als maar riepen ‘Olé olé Olé voor Quibus olé!’. Hoe harder we dat riepen, des te sneller legde zij haar rondjes af. Daarna sprong ze op de bank en bleef daar tevreden voor pampus liggen hijgen om als ze uitgehijgd was op de bankleuning te springen en mijn kale kop een wasbeurt te geven. Ze gehoorzaamde onverbiddelijk. Op het strand, terwijl ze met een andere hond aan het ravotten was, liep ze soms wel honderd meter ver weg. Maar als ik riep ‘Quibus!!!’ dan rende ze onmiddellijk op ons af.
Nooit heeft ze iemand of wie dan ook gebeten. Wel iedereen laten lachen. En of ze wist waar ik gewerkt had. Want als ik een kermis promotie gedaan had stond ze boven aan de trap mij verwachtingsvol op te wachten, want ze wist, ik bracht dan altijd een beertje of poppetje mee. Wat ze dan trots in haar enorme mand met speelgoed ging leggen, na eerst de oogjes er uit gesloopt te hebben. Dat was het enige waar ze schijnbaar niet tegen kon.
Ik herinner mij dat mooie moment toen mijn vrouw drie jaar geleden 60 werd en ik met alle drie mijn dochters en kleinkinderen en aanhang de studio ingegaan ben en daar het lied ‘Ik heb je lief’ opnam, met als koor mijn kroost en aanhang. Alle vijfhonderd gasten stonden te janken toen ik voor mijn vrouw de solo op mijn mondharmonica speelde en bij het refrein alle kinderen, kleinkinderen en aanhang met een bos rozen binnen kwamen en zongen: Ik heb je lief terwijl Quibus vrolijk er tussendoor springend met in haar bekje een bosje Vergeet mij Nietjes spontaan het vrouwtje in de armen sprong.
In de loop van de jaren gingen de kinderen de deur uit maar als ze dan op bezoek kwamen, werd Quibus helemaal gek van vreugde en rende ze luid blaffend door het huis. We hadden een vast ritueel.
Mijn vrouw ging, zodra zij ‘s ochtends op was, een rondje met haar maken langs de Haven van Vlaardingen. En als zij dan weer samen thuis kwamen sprong Quibus altijd in mijn bed en lebberde mij helemaal af om maar te laten merken ‘Bassie, ik hou zoveel van je!’
‘s Avonds ging ik altijd twintig minuten met haar uit. Dan kuierden we langs de haven en als ik bij een van de vele terrasjes een praatje maakte, bleef zij doodleuk naast mij zitten. Ik liet haar ‘s avonds altijd uit zonder riem en als we voor ons huis waren, bleef ze keurig naast mij zitten totdat ik haar in mijn armen nam om haar de straat over te dragen naar de brede veilige havenkant waar zij dan even aan alle haar bekende bomen en struiken moest snuffelen. Als we dan na twintig minuten weer bij ons huis aankwamen en ik eerst goed gekeken had of er geen auto’s aankwamen zei ik: “Quibus, en nou met een rotgang. Daar gaan we!!!’ dan stoven we allebei de straat over naar de huisdeur. Wie er het eerste was.
In al die jaren heb ik nog nooit van haar gewonnen, want altijd zat zij met die vrolijke grijns op haar hondensmoeltje als eerste voor de huisdeur op mij te wachten.
Maar sinds de avond van 7 september kan ik geen rondje meer maken met mijn lieve vriendinnetje. Die avond, toen ze zoals altijd, op mij zat te wachten totdat ik haar zou oppakken om over te steken om haar naar de veilige overkant te dragen, moet ze gedacht hebben “Joh baassie, ik ben toch geen kind meer... Ik kan toch wel alleen oversteken!”, want toen ik mij omdraaide om haar op te pakken, hoorde ik het angstaanjagende geluid van een auto die voorbij stoof en tegelijkertijd een knal. Twee seconden later had ik huilend mijn vriendinnetje hevig bloedend in mijn armen en voelde ik het leven uit haar wegstromen.
Meteen wist ik dat het mijn schuld was. Ik had haar nooit zonder lijn uit moeten laten. Al die tijd moest dit er eens van komen. Ik kon mijzelf wel wat aandoen, en scheld mijzelf nu nog steeds uit voor stommeling. Onze Quibus is tien jaar en zes maanden geworden. En heel Nederland kan haar straks zien als mijn nieuwe tv-serie op de nieuwe kinderzender uitgezonden wordt, want daar speelt zij ook in mee.
En als ik straks, samen met mijn kleindochter van nu veertien maanden op de bank zit te kijken, zal ik bij het begin van de aflevering maar even mijn ogen dicht doen. Want dan staat Quibus in de leader elke keer tegen een tv scherm te blaffen, waarop een boef te zien is die haar held Bassie de clown het leven zuur maakt. En dat pikt ze dan niet.
Tien jaar en zes maanden is onze rare Quibus geworden. Een hondenjaar is zeven mensenjaren wordt er beweerd. Dus tien keer zeven en nog wat is voor een hond bijna net zo oud als een mens van 74 jaar.
Dus eigenlijk is ze net zo oud geworden alsdat ik op 17 september jl. geworden ben. Natuurlijk was er op mijn verjaardag slagroomtaart, en kreeg ik van alle kinderen en kleinkinderen leuke cadeautjes. Maar het grootste en mooiste cadeau ontbrak die ochtend: een goeienmorgen lik van onze Quibus.
© Bas van Toor