ZIEKENBEZOEK
Als ik de tijd heb en ik ben in een plaats met een groot of middelgroot ziekenhuis mag ik graag na de voorstelling onverwacht een bezoek aan de kinderafdeling brengen.
Zo ook die keer in het noorden van het land. Gewoon gemeld bij de balie en gezegd: ‘Hallo, ik ben van Puffelen en ik kom even bij de kinderen op zieken bezoek.’ Dan is de lach groot en wordt er meteen geregeld dat ik op de kinderafdeling ben.
Meestal is mijn vrouw daarbij om mij een beetje steun te geven want je moet natuurlijk een klankbord hebben. Ik doe dat liefst onverwacht, want als ik het van te voren aanmeld zijn er heel veel vaders en moeders aanwezig met foto,- en videocamera die je dan gaan lopen regisseren. Hun kind is in hun ogen dan het meest belangrijke kind.
Nou kan ik daar zelf als vader wel inkomen, maar dan komt er van een praatje met een ander kind niets terecht. En als ik dan even bij een kind zit komt er vele malen gewoon iemand tussen door met: ‘He Bassie, hiernaast ligt ook een ziek kind, daar moet je gelijk naar toe.’ Dat het kind waar je bij zit ook ziek is speelt geen rol. Je moet naar de kamer hiernaast want anders klopt het verwachtingspatroon van het type wat je op de t.v. speelt niet. De domme clown die alles doet wat er van hem verlangd wordt en met zich laat sollen.
Dat gebeurt ook als ik met kinderen op de foto ga. Of de foto van het kind waar je mee bezig ben klaar is of niet, ze gooien zo hun kind voor een ander zijn kind. En het is ‘Bassie, wil je even kijken’. Dat de foto van die ander verpest is, geeft niet. Als hun kind er maar op staat.
Derhalve ga ik altijd heel sneaky en onverwachts een ziekenhuis binnen. Dan kan ik mij lekker als een opa clown van 69 jaar aan de kinderen wijden. Totdat iemand van het verplegend personeel soms zo aardig is om iedereen te gaan bellen dat Bassie in het ziekenhuis is en het na een kwartier krioelt van niet zieke kinderen en kakelende ouders, tantes en ooms.
Dag kinderfeest. Dus de clown gaat altijd onaangekondigd op bezoek.
En zo ook een aantal jaar geleden in een groot ziekenhuis in een middelgrote stad ergens in Nederland. Ik zeg met opzet de plaats niet om de betrokken personen hier niet meer mee te
confronteren. Het is ook al weer wat jaren geleden, maar ga er van uit het iswaar gebeurd.
‘Leuk zeg.’ was de reactie van de mevrouw achter de balie. En ze regelde gelijk begeleiding voor mij en mijn vrouw. Op de eerste kamer lag een meisje van een jaar of 14 van allochtone afkomst met grote problemen met haar lever. Nou, dat was duidelijk te zien want haar gezicht was helemaal groen. Het was een heel mooi meisje en ze woonde al geruime tijd in Nederland dus ik was een bekende voor haar. Ik slaagde er nog in haar te laten lachen. En na een cadeautje, een Bassiepop, ging ik verder mijn ronde doen. Ja, en dan moet je natuurlijk niet de lolbroek uit gaan hangen bij een kind waar net de amandelen van geknipt zijn. Die heeft wel anders aan zijn hoofd. Maar bij een gebroken been of recht gezette oren is het altijd lachen geblazen.
Ik vraag dan meestal waar hij heen zeilt met al die tuigage en of dat hij nou langzamer loopt zonder zeiloren.
Mijn ronde verliep leuk. Ik ben heel gek op de baby afdeling, alleen al om te zien hoe zo’n wurm van een vroeggeboorte met 5/6 maanden een inspanning levert vergelijkbaar met een
olympische gewichtheffer en verwoede pogingen doet om het leven in te komen. Een pracht gezicht. Dat kan ik u aanraden te gaan zien. En je zeurt nooit meer als je hoofd,- of kiespijn hebt.
Op naar de laatste kamer, naar het laatste zieke kind. Nou kind, het wezen wat daar lag was meer een groot lijf met twee kleine armpjes, twee kleine beentjes en een enorm groot hoofd en het lag hulpeloos in de lucht te staren. Ja, als jij zo bedeeld was door het lot zou je ook niet veel anders doen dan in de lucht staren. Ik keek het peinzend aan maar plotseling werd ik
wakker en dacht: 'Ik kniel bij hem neer.' Ik knielde zo dat het mijn gezicht op ooghoogte kon zien en ik zei zacht:
‘Hallo, ik ben Bassie, en als je mij herkent moet je met je oogjes knipperen.’
Ik kreeg tranen in mijn ogen toen het met de oogjes knipperde, zei het treurige oogjes. Ik gaf het een knipoog terug en weer knipoogde het kind terug. Ik gaf weer een knipoog en weer kreeg ik een knipoog terug. Ik begon zachtjes te lachen en dacht: ‘Hé van Toor, dit is succes. Dit is applaus. Dit is een stampertje, zoals wij dat noemen. Ik lachte nu luid en deed hetzelfde wat je doet bij een baby in de wieg en ik was zo in mijn optreden verdiept dat ik niet in de gaten had dat er achter mij een man en een vrouw plaats hadden genomen met een jongen van een jaar of 7 op vaders knie.
Opeens gilde de moeder: ‘Dat kan niet wat hier gebeurt! Hij is 7 jaar en heeft nog nooit gereageerd. Dat kan niet.’
Op het zelfde moment kreeg ik een schop tegen mijn achterhoofd, waarop ik mij omdraaide en in het boze gezicht van een zeven jarig joch keek die mij toebeet: ‘Hij is autistisch.’
Ik wou net gaan zeggen: ‘Ja, lekker puhh!’ En dat als hij mij nog een keer zo’n schop zou geven ik hem, pa en ma er bij of niet, een dreun zou geven waar hij van suizebolde. Maar in een flits begreep ik de situatie. Ik zei zacht tegen het joch: Dat is zeker jouw broertje he?’ Hij knikte en zei: ‘Mijn tweelingbroertje.’ De vader verontschuldigde zich voor de schop en zei: ‘Ja Bassie, hij kent jouw ook. Hij zit de hele dag naar video’s van jullie te kijken.
Ja, en dit keer voelde ik mij niet alleen een domme clown maar ook een domme Bas van Toor. Want dat joch had de hele 7 jaar van zijn leven al meegemaakt dat alle aandacht naar zijn zieke broertje ging en dat hij op het tweede plan stond. En nou kwam Bassie, die keurde hem ook weer geen blik waardig en had zijn zieke broer weer alle aandacht. Ik dacht: ‘Zo clown. Zo oud en weer wat geleerd.’
Tuurlijk kreeg dat joch ook een cadeautje van mij. En die moeder vroeg of ik haar kind nog een keer wilde laten knipogen. En dat deed hij ook. Ik vroeg hem:‘Knipoog nou eens naar mama.’
En toen dat gebeurde kreeg ik een beetje raar Jomanda gevoel, dus ik dacht: ‘van Toor weg wezen. Voordat dit uit de hand loopt.’ Ik zwaaide en kreeg tot slot nog een knipoog. Dat was het laatste levensteken wat ik van hem kreeg, want 5 maanden later ontving ik een berichtje van zijn vader een moeder.
Zo’n versierd kaartje met blauwe bloemetjes er op.
Zo een waarvan ik er naar mijn smaak veel te veel in een grote doos bewaar.
© Bas van Toor